Vier tips om tot de juiste keuze van HSI’s te komen

Lee Funnell van Siemon bekijkt in dit artikel waar we op moeten letten als we in het datacenter een High Speed Interconnect-oplossing in gebruik willen nemen. Hij komt daarbij tot vier tips om tot een goede keuze van een HSI te komen.

In de loop der jaren hebben we in de industrie verhitte discussies gezien over de vraag wat de beste bekabelingsarchitectuur voor datacenters is. Ook is veel gesproken en geschreven over de vraag hoe we deze architectuur het beste kunnen implementeren om tot een ­optimale facilitaire ondersteuning te komen. Sommige professionals hebben duidelijk de voorkeur gegeven aan een zogeheten Any to All gestructureerd bekabelingsontwerp, anderen zijn daarentegen juist voorstander van een Top of Rack (ToR)-topologie.

Beide alternatieven kennen voor- en nadelen. Wat vandaag de dag echter vooral duidelijk is, is het feit dat er geen One Size Fits All-­oplossing bestaat voor de bekabelingsarchitectuur van het datacenter. In plaats daarvan zien we meer en meer een mix van topologieën waarin Any to All-, ToR-, Middle of Row- en End of Row-­ontwerpen zijn opgenomen.

Point-to-point

Grotere datacenters als hyperscale-, cloud- en colocatie-faciliteiten, maar ook grote datacenters van enterprise-organisaties vertrouwen vaak op Top of Rack switching. Bij een ToR-­ontwerp bevindt zich in elk rack ten minste één switch die verbinding maakt met de servers in dat rack. Om deze verbindingen tot stand te brengen, maken ToR-toepassingen doorgaans gebruik van snelle interconnect-oplossingen (HSI’s). Dit zijn korte Point to Point-kabels die twee actieve netwerkapparaten rechtstreeks met elkaar verbinden. Denk aan switch to switch-, switch to server- of switch to storage-applicaties in hetzelfde rack of in aangrenzende racks. Om ervoor te zorgen dat deze belangrijke componenten van het datacenter optimale ondersteuning bieden, moet bij de selectie van de verbinding een aantal belangrijke punten in acht worden genomen. Laten we de belangrijkste vier eens nader bekijken.

1. Geen IT-bekabeling

Het is belangrijk om te begrijpen dat we het hier weliswaar over apparatuurkabels hebben, maar dat dit soort high speed-verbindingen meestal niet binnen het bereik van de IT-bekabelinginfrastructuur vallen. Vaak zijn het de netwerk engineers die over de LAN-omgeving gaan, die de verbindingen tussen servers, opslag en andere netwerkapparatuur voor hun rekening nemen. Met andere woorden, de beslissing over de soorten interconnecties die zullen worden ingezet ligt bij degenen die ­verantwoordelijk zijn voor het selecteren van de actieve apparatuur.

2. Rol actieve apparatuur

Een ander punt om rekening mee te houden, is het feit dat de HSI’s vaak worden geleverd door fabrikanten van actieve apparatuur. Zo levert bijvoorbeeld Cisco meestal transceivers mee met hun apparatuur. Hierdoor moet het datacenter relatief dure glasvezelkabel-assem­blages gebruiken. Dit is vooral inefficiënt voor lengtes tot vijf meter die wel vier keer zo duur kunnen zijn als koperoplossingen. Ze vereisen bovendien meer vermogen, terwijl er wel degelijk kortere kabels en bovendien verschillende kleuropties via alternatieve kanalen beschikbaar zijn.

Bij het selecteren van snelle interconnectie-­oplossingen is een van de grootste problemen waarmee netwerkbeheerders te maken hebben de – zeg maar – compatibiliteit. Bij grote fabrikanten van actieve apparatuur wordt vaak vendor locking in de systemen ingebouwd. Dit betekent bijvoorbeeld dat er een waar­schuwingsbericht wordt afgegeven telkens wanneer een kabel van een andere partij op de actieve apparatuur wordt aangesloten.

Het is echter belangrijk om vast te stellen dat dit waarschuwingsbericht alleen maar duidelijk maakt, dat er een kabel van een ander merk in gebruik is. Het toepassen van kabels van andere leveranciers heeft echter geen negatieve invloed op de prestaties. Ook de garanties die zijn afgegeven door de fabrikant van de actieve apparatuur komen hierdoor niet in gevaar. Het is echter desondanks een goed idee om samen te werken met producenten die kabels aanbieden die volledig compatibel zijn met de actieve uitrusting van de apparatuur. Kabels met het label ‘100% Cisco-compatibiliteit’ ­zullen bijvoorbeeld volledig functioneren met Cisco-componenten, zonder dat er tijdens de installatie een waarschuwingsbericht wordt geactiveerd.

3. Breedte en diepte

Een ander punt om op te letten, is de productbreedte en -diepte van de fabrikanten. Dit heeft betrekking op kabeltypes, prestaties, beschikbare lengtes en kleuren. Er zijn doorgaans drie soorten kabels die regelmatig voor HSI worden gebruikt:
Direct Attached Cables (DAC’s) zijn de meest kosteneffectieve oplossing en bieden het breedste scala aan lengtes en kleuren van de mantels
Actieve optische kabels (AOC’s): vaste ­vezelpakketten zitten in de middelste prijsklasse, maar bieden het voordeel dat zij lengtes ondersteunen tot 100 meter
Break-out kabels: deze bestaan uit twee transceivers en een optische kabel met connectoren aan de uiteinden

Het is belangrijk om vast te stellen of transceivers gebundeld met netwerkapparatuur de juiste oplossing zijn voor de toepassing waaraan wordt gewerkt.

De beschikbaarheid van voldoende kabelopties voor verschillende snelheden – bijvoorbeeld van 10Gb/s tot 100Gb/s – betekent dat faciliteiten voldoende worden ondersteund bij het upgraden van hun netwerkapparatuur van 10Gb/s naar 25Gb/s en 100Gb/s. Het is absoluut zinvol om de lengtes van de HSI-kabels aan te passen aan de dichtstbijzijnde halve meter die de fabrikant aanbiedt om de kabelbundels in het rack netjes te kunnen geleiden. Dat zorgt voor een betere luchtstroom en een efficiëntere koeling. Door gebruik te maken van meerdere kleuren kabelmantels, is het mogelijk om verschillende netwerken over de gehele lengte van de kabel te coderen.

Aangezien hogesnelheidsverbindingen doorgaans slechts zeer korte afstanden hoeven af te leggen, speelt de beschikbare kabellengte ook een belangrijke rol. De meeste fabrikanten bieden kabels aan in stappen van 1, 2 of 3 meter, afhankelijk van de vraag hoever in het rack de server is geplaatst die moet worden aangesloten op de ToR-switch.

Netwerkmanagers doen er echter verstandig aan om de kabelopties in stappen van een halve meter te overwegen. Geleidelijk verschuiven van 0,5 meter tot 1,5 meter naar 1,5 meter tot 2 meter om de servers aan de onderkant van het rack te bereiken, voorkomt dat onderin het rack relatief grote kabellengtes ‘over blijven’. Dat leidt tot een beter kabelbeheer, een betere luchtstroom en een netter uiterlijk.

Het kabelbeheer kan verder worden verbeterd als de kabels in verschillende kleuren beschikbaar zijn. Kleurcodering helpt bij het identificeren van verschillende diensten en het bepalen van – zeg maar – ‘wat op wat’ is aangesloten. Vaak gebruiken netwerkbeheerders een kleur, bijvoorbeeld zwart, om de primaire verbinding te identificeren en een andere kleur – bijvoorbeeld rood – om het secundaire netwerk te kunnen onderscheiden.

4. Onafhankelijke tests

Let tenslotte op of de kabels onafhankelijk zijn getest op interoperabiliteit met de meeste ­grote apparatuurfabrikanten. Is dit inderdaad het geval, dan zal dit zorgen voor kosten­effectieve en kwalitatief hoogwaardige assemblages voor het direct aansluiten van apparatuur. Ook het werken met fabrikanten die datacenters wereldwijd kunnen beleveren met dezelfde kwaliteit kabels, helpt om te komen tot een consistente netwerkarchitectuur op alle locaties.

Lee Funnell  is Technical Manager EMEA bij Siemon

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.