Connectiviteit ­vereist nauwkeurige testprocessen

De bekabelingsinfrastructuur is een essentieel onderdeel geworden van moderne datacenters en ­bedrijfsomgevingen. De prestaties en betrouwbaarheid van de infrastructuur waren altijd al belangrijk, maar tegenwoordig zijn de foutmarges nog kleiner. Bij het opzetten van zeer snelle optische netwerken, zoals 100 GB/s-ethernet en 128 GB/s-glasvezelnetwerken moeten alle belanghebbenden nauwkeurige informatie hebben over de prestaties van de glasvezelkabels tegenover de geldende normen. Daarnaast is het van groot belang dat de producent van de kabels zijn klanten ervan verzekert dat er op alle ­verbindingen die hij heeft geleverd een garantie van toepassing is volgens de geldende normen.

Naarmate de eisen op het gebied van netwerkprestaties strenger zijn geworden, zijn de specificaties van de onderdelen van glasvezelkabel­installaties preciezer en strikter geworden. Sinds de standaardisatie van 10 GB/s-ethernet – in 2002 – is de Channel Insertion Loss (CIL) van 2,55 dB voor laser geoptimaliseerde multimode OM3-glasvezels van 50/125 μm verlaagd tot 1,9 dB voor 40GBASE-SR4 (en 100GBASE-SR10). Tegenwoordig mag het verlies voor een OM4-kabel van 150 m, die meerdere koppelingen kan bevatten, nog maximaal 1 dB zijn.

Plug & play

De huidige plug & play gestructureerde bekabelingssystemen op basis van multimode glasvezel met LC- en MTP-connectoren hebben een zeer laag verlies in vergelijking met de vereiste normen op het gebied van kabels en onderdelen. Volgens de geldende normen op het gebied van bekabeling en toepassing (ethernet en Fibre Channel) mogen aan elkaar gekoppelde connectoren een Insertion Loss (IL) hebben van maximaal 0,75 dB. De nieuwste multimode LC-connectoren hebben gemiddeld een verlies van minder dan 0,1 dB en toonaangevende ­leveranciers bieden zeer hoogwaardige MPO-connectoren aan met ­verlieswaarden van niet meer dan 0,25 dB.

Na het installeren van de bekabeling worden de permanente verbindingen volgens de bekabelingsnormen getest met nagenoeg ideale patch-kabels, die zorgen voor een zeer goede herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid van de verliesmetingen. Dit soort metingen met patch-kabels van ‘referentiekwaliteit’ zorgt ervoor dat de kans op kostbare meetfouten aanzienlijk wordt verlaagd en dat de verbindingen tijdig worden getest en in werking worden gezet.

Serieuze zaak

Het uitvoeren van tests is een serieuze zaak en het gebruik van bestaande testapparatuur – die veelal is ontworpen voor SC-kabelinstallaties – kan afwijkende resultaten opleveren. De reden hiervan is dat de uiteinden van de SC-aansluitingen van de testapparatuur moeten worden aangepast aan de LC-kabelinstallatie door middel van ‘hybride’ jumpers (SC naar LC). Hierdoor worden er extra koppelingen meegenomen in de meting, wat de doeltreffendheid van de praktijktests van verbindingen met LC- of MPO-connectoren aanzienlijk kan beïnvloeden. De kans op onterechte ‘passes’ of ‘fails’ neemt fors toe bij praktijktests. Onterechte ‘fails’ kunnen ervoor zorgen dat klanten verbindingen niet op tijd kunnen implementeren, dat er onnodige verspilling plaatsvindt en de installatietijd langer wordt. Onterechte passes kunnen de betrouwbaarheid negatief beïnvloeden en tot garantieclaims leiden.

Om goed te kunnen meten of het verlies van een gebruiksklare (pre-­terminated) permanente OM3-verbinding van 30 meter aan de vereisten voldoet, waarbij het verwachte verlies 1,6 dB is, moet de herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid van het meetsysteem een fractie van 1,6 dB zijn. Er wordt binnen de branche zelfs aanbevolen een testlimiet van 20 tot 30% te hanteren. De foutmarge moet dan dus tussen de 0,32 en 0,48 dB liggen.

‘Technische grenswaarden’

Deze waarden worden nog verder beperkt als klanten metingen willen uitvoeren ten opzichte van de ‘technische grenswaarden’ die veel lager liggen dan de 0,75 dB voor verlies van aan elkaar gekoppelde connectoren zoals die in de norm is bepaald. Men moet zich bewust zijn van de limieten van de testapparatuur bij het bepalen van de limieten waarmee bij metingen wordt gewerkt. Op een bepaald moment beginnen de testapparatuur (en de operator) bij dergelijke zeer lage testlimieten te zorgen voor grote hoeveelheden meetfouten.

Nu er steeds meer hoogwaardige kabels worden gebruikt, zoals OM5, en permanente verbindingen worden geïnstalleerd met multimode fiber (MMF), dat zeer weinig verlies heeft, zullen we een toenemende behoefte zien aan connectoren met ultralage verlieswaarden, die de protocollen voor hogere snelheden ondersteunen. Deze bekabelingssystemen zullen moeten voldoen aan strenge voorschriften, zowel van klanten als vanuit de sector, en zullen deze zeer nauwkeurige en betrouwbare processen voor het meten van verlieswaarden moeten volgen.

Michael Akinla is TSE Manager bij Panduit EMEA

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.