Powermonitoring: wie moet welke informatie hebben en waar?

De markt voor power distribution units (PDU’s), ook wel energielijsten genoemd, ontwikkelt zich steeds verder. Meer mensen binnen de IT-wereld willen of moeten weten welke hoeveelheid stroom is verbruikt door een gegeven gebruiker, een IT-ruimte, rack of individueel component.



Medewerkers van datacentra en computerruimtes met verschillende taken en verantwoordelijkheden, hebben steeds meer behoefte aan informatie met betrekking tot het energieverbruik en capaciteit. De wens of noodzaak om beter inzicht te hebben in het stroomverbruik per onderdeel wordt veroorzaakt door verschillende factoren waarvan de hoofdredenen zijn:




  • 1. Er is een beperkte hoeveelheid stroom beschikbaar op de site en daarom is het noodzakelijk te weten wanneer het einde van de capaciteit in zicht is, om zo een overload te voorkomen.


  • 2. Energiekosten nemen schrikbarend toe en zullen in de nabije toekomst alleen nog maar verder toenemen.


  • 3. Het stroomverbruik is daarnaast een belangrijke indicator om vast te stellen of een server aan het einde van zijn economische levensduur zit en dus moet worden vervangen.


  • 4. In colocatie centra is het noodzakelijk de doorbelasting van gebruikte energie voor iedere klant op de juiste en accurate wijze uit te voeren en met inachtneming van de hiervoor geldende normen.


  • 5. De milieuwetgevingen en -regelingen in de verschillende landen, dus ook in Nederland, eisen dat energiegebruik integer wordt gemeten, opdat reducties kunnen worden doorgevoerd. Tot slot zal een juiste meting ook een indicator zijn voor slecht functionerende systemen door bijvoorbeeld instabiel stroomverbruik.

 


Deze redenen en daarmee dus perspectieven worden nader bekeken. Medewerkers met verschillende taken en verantwoordelijkheden wensen informatie te ontvangen op verschillende plaatsen en op verschillende wijze.




Lokale informatie


In de basis is een stroom- of spanningsmeting erg zinvol op de plaats van het verbruik; in het rack. Dit geeft de persoon die aan het rack werkt de mogelijkheid te zien of er spanning is, maar ook of er nog voldoende restvermogen is om nieuwe of andere apparatuur aan te sluiten. Natuurlijk kan dit ook betekenen dat er meer capaciteit, in de vorm van een andere, verbeterde, hoger gekwalificeerde PDU nodig is. Hierbij kan bijvoorbeeld een 16 A PDU worden vervangen door een 32 A PDU.




De menselijke natuur geeft aan dat in situaties waarin zich problemen voordoen, we deze lokaal willen kunnen verhelpen. Ondanks de verschillende vormen van op afstand te beheersen en te besturen systemen en ondanks netwerktoepassingen (inclusief PDU’s) en serverhardware, blijft lokale informatie nodig. We willen de situatie ter plaatse kunnen zien, aanraken, meten en de lokale connecties kunnen vaststellen.




In deze situaties helpt een lokale meter enorm; of het nu gaat om een eenvoudige lokale analoge meter die de realtime meting weergeeft, of juist om een geavanceerde digitale uitvoering met touchscreen, waarbij ook historische data kan worden uitgelezen. Voor lokale metingen is er een goed argument om een ouderwetse analoge ampèremeter te installeren. Op de dagelijkse inspectieronde is namelijk eenvoudig te zien of de meetwijzer in de standaardpositie staat, of dat er afwijkingen zijn. De data op de digitale meters geven een kleurwijziging weer, die mogelijk minder opvalt in de wereld van knipperende LED’s in de serverruimten. De geavanceerdere meters combineren het beste van deze twee werelden en zijn in staat alarmen te genereren met naast kleur ook geluidsignalen. Kortom, lokale informatie (in het rack) blijft noodzakelijk voor de man die werkt aan en bij het rack. Laten we dit maar ‘medewerker 1’ noemen.




Meten op afstand


Meting en registratie op afstand zijn tegenwoordig toe te passen via een serieel of subnetwerk of zoals gebruikelijker via ethernet. De verzamelde gegevens kunnen veelal grafisch worden weergegeven. Het is ook mogelijk de gegevens te exporteren naar verschillende pakketten, zoals Visual Data Center (www.visualdatacenter.eu). Deze pakketten kunnen informatie gebruiken en opslaan over langere tijd en daarmee trends vastleggen voor analyse en verdere sturing.




Een manager van een datacentrum of computerruimte zal uiteraard zeer sterk zijn gefocust op het totaal energiegebruik. En omdat zijn verantwoordelijkheid zich uitstrekt over het gehele datacentrum of de computerruimte, wil hij graag de benodigde informatie op zijn lokale pc of zelfs op zijn smartphone ontvangen. Wederom is een grafische weergave met een dashboard op zijn pc een eenvoudige wijze om afwijkingen snel op te merken.


 


[[adsense]]



 


Trendanalyse gebeurt vooral dan wanneer investeringen worden voorbereid. Intelligente PDU’s genereren bijvoorbeeld alarmen op een moment dat het stroomverbruik zijn bovenste of onderste limiet nadert of zelfs overschrijdt. Het inzicht in stroomverbruik, of anders gezegd, het inzicht in de plaats van beschikbaarheid van stroom maakt dat de manager van het datacentrum of de computerruimte in staat is beslissingen te nemen over de inrichting en uitbreiding van de zaal. Maar ook op rackniveau zijn, dankzij de metingen per rack via de intelligente PDU’s, beslissingen mogelijk om nieuwe apparatuur juist te plaatsen op basis van stroombeschikbaarheid en fysieke ruimte. Laten we de datacentrum of computerruimtemanager maar ‘medewerker 2’ noemen.




Hardwareboerderij


Meting en registratie kunnen ook noodzakelijk zijn op andere plaatsen in het gebouw op bijvoorbeeld afdelingsniveau of voor het facility-management. Meestal gaat deze informatie over ethernet, waarbij de seriële bus een goede oplossing kan zijn voor het monitoren van één zaal. Zodra de data echter moeten worden getransporteerd over grotere afstand, of zelfs naar buiten, is ook een ethernetoplossing als zijnde bestaand netwerk een goede keuze. Een afdeling kan bijvoorbeeld inzicht willen hebben in het stroomverbruik van eigen apparatuur in racks of andere toepassingen.




Het datacentrum of de computerruimte is eenvoudigweg een hardwareboerderij en de taak van de hardwareboer is zeker te stellen dat de servers die onder zijn beheer zijn geplaatst, fysiek in de juiste staat zijn en naar tevredenheid functioneren. Hij is niet verantwoordelijk voor de mentale gesteldheid van de servers. Een applicatiesupportengineer kijkt hier op een andere manier naar. Het is zijn taak te zorgen dat de toepassingen, de applicaties die door de afdeling of klant worden gebruikt, juist en op efficiënte wijze draaien.




Hij zal het stroomverbruik en de stroomkwaliteit willen meten en registreren om er zeker van te zijn dat er geen hardwareproblemen zijn. Hij is er voorstander van dat zijn servers een gelukkig, rustig leven leiden, ze worden gevoed door schone stroom en dat ze daarbij onder de maximum stroomafname blijven. Zijn ogen zijn ook gericht op de datacentrum- of computerruimtemanager wiens missie het is om de maximum toelaatbare capaciteit te bereiken en dan naar een efficiënter en gebalanceerder stroomverbruik te gaan. Laten we de applicatie-engineer maar ‘medewerker 3’ noemen.




Laten we ook vooral de facilitair manager niet vergeten en zijn taak en verantwoordelijkheid naar de onderneming als geheel. Het is zijn taak dat alle afdelingen van de onderneming, inclusief het datacentrum of de computerruimte dat of die waarschijnlijk de grootste stroomverbruiker is in de kantooromgeving, in kaart zijn gebracht opdat hij in de boardroom kan presenteren waar de stroom, of beter gezegd, het geld naar toestroomt. Hij heeft hiervoor een overzicht nodig van het totaal stroomverbruik. Deze facilitair manager is onze ‘medewerker 4’.




Ideale situatie


Kortom, in de ideale situatie heeft medewerker 1, de zaaloperator, een lokale meter op PDU-niveau. Medewerker 2, datacentrum of computerruimtemanager, heeft zijn informatie verkregen via een seriële bus, subnet of ethernet en hij kan de informatie verkrijgen op stroomverbruik rack voor rack. Medewerker 3, applicatiesupportengineer, kan zijn eigen PDU’s benaderen over het netwerk en medewerker 4, facilitair manager, krijgt uiteindelijk het beste van beide werelden. Hij kan rapportages ontvangen op de wijze, zoals medewerker 2 ze vervaardigt, en deze kan hij vergelijken met de rapportages van medewerker 3 en zijn collega’s van andere afdelingen.




Wanneer een alarm is gegenereerd, kan tijdens kantooruren medewerker 1 naar het rack worden geroepen door het signaal, terwijl gelijktijdig medewerker 2 via de seriële bus een signaal ontvangt. Medewerker 3 krijgt het alarm via het netwerk. Dit creëert een gezamenlijke ondersteuning en redundant meet- en registratiesysteem dat uiteindelijk medewerker 4 tevreden stelt, maar ook de persoonlijke wens van medewerker 1 honoreert.




Buiten kantooruren zullen de medewerkers 2 en 3 zeer waarschijnlijk via hun smartphone een signaal ontvangen, opdat een beslissing kan worden genomen en eventueel zelfs buiten de reguliere arbeidstijd medewerker 1 kan worden aangestuurd.




Effectief werken


De kernboodschap in dit artikel is dat bij de keuze voor een PDU of voor een PDU-fabrikant weer goed zou moeten worden gekeken naar de personen, afdelingen en instanties die de informatie gaan gebruiken. Daarnaast is het een aanbeveling waard te kijken naar de wijze waarop de informatie moet worden ontvangen.




IP alleen geeft mogelijk tevredenheid op de zaal (of in een co-locatie bij de klant), maar de afdeling of de klant wil mogelijkerwijs helemaal niet dat een ander datzelfde IP-adres kan benaderen. Veiligheidsbeleid zal daaraan veelal ten grondslag liggen. In dergelijke situaties zal een tweede secundair subnet noodzakelijk zijn. Omgekeerd geldt dat gezien de intelligentie van de hedendaagse PDU’s, deze bij alleen lokaal gebruik minder goed tot hun recht komen. Kortom: ieder mens is gelijk geschapen, maar als we een mens de informatie onthouden om effectief te werken, wordt hij minder gelijk dan anderen.




Joost de Boer en Wember Spek zijn accountmanagers bij OEC